2008 was het Jaar van het Religieus Erfgoed. In dit jaar werden in Zeeland zeven x zeven verhalen verzameld bij religieus erfgoed. De verhalen worden verteld door Zeeuwen van nu: jonge en oude, allochtone en autochtone, bekende en onbekende inwoners van deze provincie. Ze vertellen bij voorwerpen, gebouwen, gebruiken of plekken in het landschap die verwijzen naar het religieus erfgoed. Van veel verhalen is de plek te bezoeken. De verhalen van het religieus erfgoed zijn weer actueel in de Jaren van het Immaterieel Erfgoed, 2011 en 2012.
lees meer
Op 15 juni 1951 komt 1e luitenant-legerpredikant Johan Lawalata (1903-1989) samen met zijn vrouw en elf kinderen in Rotterdam aan. Johan is een van de vierduizend Molukse militairen die samen met hun gezinnen naar Nederland worden overgebracht. Twee jaar daarvoor is de soevereiniteit aan Indonesië overgedragen. De Molukkers, die altijd loyaal zijn geweest aan het koloniale bestuur, voelen zich in het nieuwe Indonesië niet veilig, maar mogen van de nieuwe regering ook niet op Ambon of Nieuw-Guinea, gebieden die onder de Republik Maluku Selatan (RMS) vallen, worden gedemobiliseerd. De Nederlandse regering staat voor een dilemma en besluit hen tijdelijk, voor een half jaar, naar Nederland over te brengen.
"In twaalf scheepstransporten zijn 12.500 Molukkers overgebracht", vertelt Riet Pattikawa-Lawalata (1946), de dochter van Johan Lawalata. "Wij zijn gekomen met de boot Goya. Ik was nog een kleutertje, maar zoiets blijft je altijd bij. Mijn moeder was hoogzwanger en kwam pas later aan boord. Na de geboorte van mijn broertje is mijn moeder met een Rode Kruisbootje naar de Goya gebracht. Bij aankomst in Rotterdam, kwam een hoge Nederlandse officier aan boord. Hem was opgedragen om de Molukse soldaten uit het Koninklijk Nederlands Indisch leger (KNIL) te ontslaan. De Molukse soldaten voelden zich verraden. Zij waren verscheept naar de andere kant van de wereld en zaten nu zonder werk en eigenlijk zonder toekomst. Met bussen werden we eerst naar het demobilisatiecentrum Amersfoort gebracht, waar we werden onderzocht op tropische ziekten, en vervolgens naar de verschillende woonoorden getransporteerd. Ons gezin kwam in het voormalige concentratiekamp Vught terecht, dat later werd omgedoopt tot Kamp Lunetten. In 1952 zijn we verhuisd naar het houten barakkenkamp aan de Seisweg in Middelburg.""Mijn vader was een van de zeven Molukse legerpredikanten. Geestelijke zorg voor de militairen was dringend nodig. Nog voordat de laatste boot op 21 juni 1951 aankwam was de Classis Geredja Protestan Maluku di Belanda (Classis GPMB) opgericht. Een jaar later hebben zij de Molukse Evangelische Kerk opgericht, de Geredja Indjili Maluku (GIM). De classis bestond uit acht regio's. Vader werd voorzitter van de classis Middelburg en kreeg heel Zeeland, waar negentien Molukse woonoorden waren (op Schouwen-Duiveland, Walcheren, Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen), onder zijn hoede. In ons kamp werd een barak ingedeeld als kerk en kantine. Mijn vader kreeg twee hulppredikanten toegewezen, maar zelfs voor drie personen was het niet mogelijk om al het kerkelijke werk te doen. Iedereen die in Nederlands-Indië binnen de kerkenraden actief was geweest, werd opgeroepen om zich ook in Nederland daarvoor in te zetten. Aan de kerkenraadsleden werd dispensatie gegeven om te preken in de eredienst, om catechisatielessen te geven, om zondagsscholen te organiseren en om de plaatselijke geestelijke zorg te behartigen."
In het kamp aan de Seisweg woonden wij met onze ouders en, ondertussen, dertien kinderen in twee kamers. Eten kregen wij uit de centrale keuken. Aan het Hollandse eten en aan de kou moesten wij erg wennen. Toch had het kamp voor mij ook iets gezelligs, als ik naar buiten liep waren er altijd vriendinnetjes met wie ik kon spelen. Voor mijn moeder was het een zware tijd, zij en wij, de kleintjes, waren vaak ziek. Doordat de woonruimte te krap werd, kregen wij dankzij de bemiddeling van de vrouw van notaris Batten een woning aan de Sint-Pieterstraat. Het liefst bleef mijn vader bij zijn mensen in het kamp. Mijn vader was altijd op pad. Door de week bezocht hij gezinnen en 's zondags preekte hij in vier of vijf verschillende kampen. Ik zie hem nog gaan, met zijn koffertje door de sneeuw over de Korte Burg naar de Markt waar hij de bus nam naar een van de Molukse woonoorden in Zeeland.""In 1962 en 1963 werden de barakken gesloten en kregen de Molukkers een huis toegewezen in één van de drie Molukse woonwijken op Walcheren. Molukkers hebben een grote gemeenschapszin. Wij wonen graag dicht bij elkaar en proberen elkaar in lief en leed te steunen. Onze Molukse kerken in Middelburg en in Oost-Souburg spelen daarbij een belangrijke rol. Mijn vader heeft daar gepreekt tot begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Soms vind je op bepaalde plekken in Zeeland nog iets van de oude barakken terug. In Koudekerke en Serooskerke zijn de voormalige opvangcentra omgebouwd tot vakantiewoninkjes. Een paar jaar geleden maakten wij met mensen uit de eerste generatie een rondtocht langs deze kampen. Het was ontroerend, een oudere heer vertelde dat hij zich nog precies wist te herinneren hoe mijn vader daar in de kerkbarak in Serooskerke stond te preken. Zelf heb ik de preken van mijn vader nooit goed kunnen volgen. Hij sprak en preekte in het Maleis. Door mijn moeder en op school ben ik Nederlandstalig opgevoed. En toch, hoewel ik toen het Maleis niet verstond of sprak, begreep ik wat hij bedoelde."
"Vader wou dat ik ook dominee werd en ter voorbereiding op de studie theologie ben ik naar het gymnasium aan de Latijnse Schoolstraat gegaan. Dominee ben ik nooit geworden, want de liefde kwam op mijn pad, bijna veertig jaar geleden trouwde ik Ojang Pattikawa. Wij hebben drie gezonde kinderen gekregen. Gelukkig is mijn broer Ad in de voetsporen van mijn vader getreden. Hij is nu emeritus-predikant en woont te Den Bosch."