2008 was het Jaar van het Religieus Erfgoed. In dit jaar werden in Zeeland zeven x zeven verhalen verzameld bij religieus erfgoed. De verhalen worden verteld door Zeeuwen van nu: jonge en oude, allochtone en autochtone, bekende en onbekende inwoners van deze provincie. Ze vertellen bij voorwerpen, gebouwen, gebruiken of plekken in het landschap die verwijzen naar het religieus erfgoed. Van veel verhalen is de plek te bezoeken. De verhalen van het religieus erfgoed zijn weer actueel in de Jaren van het Immaterieel Erfgoed, 2011 en 2012.
lees meer
In de jaren dertig van de vorige eeuw bereikt de verzuiling haar hoogtepunt. In deze jaren is de invloed van de gereformeerde zuil ongekend groot. De gereformeerden hebben hun eigen scholen, media, politieke partijen en allerlei andere organisaties opgericht om de belangen van hun zuil te beschermen. Ze hebben er offers voor gebracht, maar hun gedrevenheid gaat wel eens ten koste van andersdenkenden. Neeltje van der Sluijs-Vermeulen weet het nog goed. "Nu ik 85 ben, denk ik vaak aan vroeger, het komt allemaal weer terug. Als kind woonde ik in de Rijkebuurtweg, tussen Serooskerke en Vrouwenpolder. Daar woonden allemaal gereformeerde boeren en twee hervormde, waar mijn vader er een van was. Wij woonden aan het begin en de andere hervormde boer aan het einde van de weg. Mijn vader was een keuterboer met hier en daar een lapje grond en drie koeien. Het was geen vetpot thuis. De middelgrote en de grote boeren, zoals op de boerderijen De Eendracht en Arendsrust, waren gereformeerd." De ‘kleine luijden'? "Dat waren wij."
"Ik was een nakomertje en scheel twaalf jaar met de broer boven mij. Mijn vader was 47 toen ik kwam. Hij was een harde, hoor. Als kind had hij de Doleantie meegemaakt en elke zondag zei hij: Kijk daar gaan ze weer, de afgescheidenen." In 1887 ging de kerk te Vrouwenpolder ‘in doleantie'. Na de scheuring bouwde de nieuwe gemeente een eigen kerk aan de Schoolstraat; het gebouw staat er nog en is nu eigendom van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt. In Neeltjes jeugd heette de Schoolstraat de Stenenweg. "In de week hielp je elkaar. Als bij de buren een kind was geboren of een koe had gekalfd, dan ging moeder of vader helpen. Dit ging zo over en weer. Maar zondags dan praatte je niet met elkaar, dan was het oorlog. Na de Doleantie is tweederde van de hervormden overgegaan naar de Gereformeerde Kerk. Vader heeft dit nooit kunnen zetten." Waarom? "Dat weet ik niet, daar praatte je niet over. In de week speelde ik met de buurkinderen, maar ‘s zondag zei je niks. Je groette niet, dat was toen heel gewoon. Als we zondags naar de kerk gingen, dan liepen we niet langs de Gereformeerde Kerk aan de Stenenweg. Geen denken aan, we liepen om, door landerijen en dan over het paadje van Boone, achter de Stenenweg langs. In de winter droeg vader klompen, zijn goede schoenen deed hij pas in de kerk aan, zodat ze schoon bleven. Kwam je elkaar tegen, dan deed je alsof je elkaar niet kende of keek snel de andere kant op. 't Is erg, maar het was zo."Aan de Stenenweg hadden de gereformeerden hun eigen christelijke school. "Ik ging naar de openbare school in Vrouwenpolder. De school had toen nog één onderwijzer, meester Bliek, en dat was een rooie. Als je jarig was, dan mocht je een liedje uitkiezen. Koos een van ons voor het Wilhelmus of een psalmversje dan speelde hij extra hard en vals op zijn viool. Van de dominee die eens per week langskwam moest hij ook niet veel hebben. Meester Bliek was al in de zeventig en de school werd kleiner en kleiner. Toen ik tien jaar was, zaten er als ik het me goed herinner nog elf kinderen op school. Dit kon zo niet langer doorgaan, de school werd gesloten en toen is besloten dat de kinderen naar de hervormde school in Serooskerke zouden gaan. Maar zo eenvoudig was dat niet, want een fiets had je niet. De smid van Seroos had een Fordje. In dat Fordje zijn toen houten bankjes geplaatst en zo konden wij met de ‘schoolbus' worden opgehaald en thuisgebracht. Dit kostte geld en dat moest ergens vandaan komen. Vader zei: ‘As het nie steke of sniee wil, dan komt ze er maar van af". Maar moeder heeft zich er toen mee bemoeid en toen mocht ik toch naar de school in Serooskerke. Acht kinderen gingen naar Serooskerke. Mijn hartsvriendin, Jaantje de Roo, moest naar de christelijke school in Vrouwenpolder. Haar vader was wagenmaker en de gereformeerde boeren in Vrouwenpolder waren zijn klanten. Dus je begrijpt het wel. In die tijd zaten de boeren in de kerkenraad en het schoolbestuur, veel had je niet te vertellen. Op je tiende verjaardag mocht je ‘meisjes houden'. Toen Jaantje tien werd nodigde ze alle meisjes van de klas uit; onderscheid werd niet gemaakt. Op de christelijke school werd ze uitgemaakt voor ‘openbare poeperd'. Maar Jaantje was niet op haar mondje gevallen en riep christelijke poeperds terug. Later is dat geplaag opgehouden, ik denk dat de meester er iets van heeft gezegd."
"Net na de oorlog kregen de gereformeerden een nieuwe dominee. Die wist het nogal te vertellen en toen is de Gereformeerde Kerk opnieuw gescheurd. Hoe dat is afgelopen weet ik niet, want wij zijn in 1942 naar Gapinge verhuisd. Een paar jaar later, in 1946, ben ik daar met de molenaar Leen van der Sluijs getrouwd. Bij de molen kwamen allerlei leveranciers en afnemers van mengvoederbedrijven. Ze kwamen uit het hele land en ik maar koffiezetten en luisteren. De wereld ging voor mij open. Mijn man is in 1970 overleden. Ik ben op Seroos gaan wonen omdat in Gapinge geen bus reed. Hier woon ik al weer bijna veertig jaar. Ik heb goede buren die kleine hand- en spandiensten voor mij doen. Daardoor kan ik mijzelf nog goed redden. Mijn benen laten het afweten, maar mijn hoofd doet het nog prima. Elke maand zie ik Jaantje nog en dan hebben we het veel over vroeger. We lachen heel wat af, hoor. Ik ben een bevoorrecht mens."